Door Ronald den Broeder op 30 juni 2015

Het Ravesteijnplein

Het viel te verwachten dat, na de renovatie van het woningcomplex met de erkers aan de Nieuwe Bonedijkelaan en Schuitvaartgracht, nu het complex Ravesteijnplein aan de beurt is. Evenals bij het vorige complex komt de vraag aan de orde: sloop of renovatie. Woningcorporatie l’escaut heeft de bewoners onlangs ingelicht en een brief geschreven met de aanzegging dat de woningen gesloopt zullen worden.

Over sloop en nieuwbouw ofwel renovatie wil ik in dit stuk ingaan. Eerst wat feiten. Het complex dateert uit 1933 en is gebouwd in opdracht van de toenmalige socialistische woningbouwvereniging Goed Wonen, opgericht in 1920. Dit was het tweede grote woningcomplex van die vereniging, na het aangrenzende complex erkerwoningen uit de jaren 1923-1924. Voor Vlissingen was het een van de laatste vooroorlogse sociale woningbouwprojecten. Door de crisis kwam ook de woningbouw tot stilstand. De architect was M. Vrijenhoek uit Den Haag, dezelfde als van de erkerwoningen.

De huizen zijn in de jaren 1980 gerenoveerd. De oorspronkelijke houten deuren en kozijnen zijn daarbij door kunststof vervangen, de houten goten zijn door PVC vervangen en de dakkapellen van de woningen aan het Ravesteijnplein zijn verbreed om de verdieping wat beter bewoonbaar te maken. Hierdoor is veel van het oorspronkelijke karakter verloren gegaan. Het complex heb ik in het bestemmingsplan Middengebied geïnventariseerd als ‘cultuurbepalend’. Dat wil zeggen het heeft cultuurhistorische waarde. Primair vanwege de heel bijzondere stedenbouwkundige opzet, secundair vanwege de architectuur. De architectuur van dit complex is duidelijk veel eenvoudiger en soberder dan de erkerwoningen. Ook toen moest men rekening houden met zeer beperkte rijkssubsidies voor de volkshuisvesting.

De stedenbouwkundige opzet is karakteristiek voor die tijd en uniek voor Vlissingen. Het is een rechthoekig bouwblok met een buitenring van grote bouwblokken van 2 lagen en een kap en een binnenplein met kleine woningen van 1 laag en een kap. Het binnenplein is door 2 smalle straatjes en 2 poortdoorgangen te bereiken, waardoor het idee van een hofje ontstaat. Deze stedelijke binnenruimte is heel aantrekkelijk en vormt een verkeersluw woongebied. Ook bij nieuwbouw zou als eis moeten worden gesteld dat deze bijzondere opzet met een binnenhof terug moet komen. De omvang van het bouwblok maakt dit ook mogelijk. Vervanging door een grote groene ruimte met een parkeerplaats, zoals bij het bouwblok van de erkerwoningen tussen Sottegemstraat en Schuitvaartgracht is gebeurd, zou hier zonde zijn.

Het complex wordt aan alle zijden door grote stedelijke ruimten omgeven, zoals de watergang, het Picassoplein en het nieuwe park langs de Arbeidstraat. Dit vraagt bebouwing van een behoorlijk formaat van 2 of 3 bouwlagen. De huidige bouwhoogte voldoet daaraan prima, maar hier werkt de wat hogere vooroorlogse verdiepingshoogte in het voordeel. De kleine woningen op het binnenplein benadrukken juist het kleinschalige en intieme karakter daarvan. Jammer is dat de oorspronkelijke brede houten goten zijn verdwenen; zo’n accent zou terug moeten komen.

Een derde belangrijk punt is dat de bouwblokken een kap hebben met dakpannen. Dit is karakteristiek voor de vooroorlogse bebouwing. De Hogeweg vormde de vooroorlogse grens van de bebouwde kom en markeert daarmee een grens tussen oudbouw en wederopbouw en uitbreiding van Vlissingen. Aan de oostkant van de Watergang ligt deze grens bij de Anjelierenlaan. Het is belangrijk zulke grenzen te handhaven en in de bebouwing uit te laten komen. Het markeert stadsdelen, het geeft visueel aan dat men van nieuw naar oud gaat en naar het historische centrum toe gaat (of er juist vandaan komt naar de buitenwijken). Dit bepaalt de herkenbaarheid en opbouw van een stad. Dit onderscheid tussen bouwblokken met een kap en met platte daken, zoals alle omliggende nieuwbouw heeft gekregen, is essentieel om te handhaven, ook in nieuwbouw.

Een vierde belangrijk punt is dat het complex niet uit individuele woningen maar uit een aantal bouwblokken bestaat. Het collectieve karakter is hier juist uitgangspunt van de architectuur. Niet de woning, maar het totale blok is in een keer ontworpen en hier en daar van accenten (dwarskappen) voorzien. Dit is ook een wezenlijk kenmerk van het Middengebied: veel complexen met woningen, maar per complex met een eenheidsarchitectuur. Bij nieuwbouw ontstaat vaak de neiging in afzonderlijke percelen te werken. Dit mede ingegeven door de vraag naar eengezinswoningen in de particuliere sector. Het collectieve karakter verdwijnt dan in het ontwerp of na een tijd door de individuele bewoning van de eigenaren. Dit collectieve karakter moet juist behouden blijven en dat vraagt een bijzondere architectuur die gebruik maakt van grotere massa’s. Ook voor wat betreft het materiaalgebruik zouden bij nieuwbouw eisen gesteld kunnen worden om zoveel mogelijk bij het oorspronkelijke aan te sluiten: rode dakpannen, donker bruin metselwerk. Dit om de relatie met het complex erkerwoningen te benadrukken. Ook zo’n bijzondere toegang met een poort mag niet verloren gaan en vormt juist een heel opvallend element in de omgeving.

De eerdere renovatie was noodzakelijk uit oogpunt van bewoonbaarheid en onderhoud. De bijzondere architectuur was daarbij van ondergeschikt belang voor de sociale verhuurder. We staan nu echter voor een keuzemoment. Technisch is veel meer mogelijk dan 35 jaar geleden. In kunststof zijn kozijnen te maken die niet van origineel hout zijn te onderscheiden en de oorspronkelijke detaillering van de ramen en deuren zou terug gehaald kunnen worden, echter met hedendaagse isolatie eisen. Ook voor de goten zou (in kunststof) een detaillering gemaakt kunnen worden die het oorspronkelijk karakter terug haalt.

De woonblokken bestaan thans uit appartementen. Het wooncomfort is sterk gedateerd en de houten vloeren van de begane grond zijn slecht. De isolatie is slecht en de houten dakkapellen vertonen tal van gebreken. Dat is allemaal waar; de huizen zijn uit oogpunt van verhuur en bewoonbaarheid op. Vlissingen heeft bovendien een overschot aan appartementen (vooral uit de jaren 1950 en 1960) en de vraag richt zich vooral op grondgebonden ééngezinswoningen in de koopsector. De woningcorporatie is om die reden al jaren bezig met herstructurering. Het een hoeft het ander echter niet uit te sluiten. Het complex van de erkerwoningen is een prachtig voorbeeld van renovatie en hergebruik. De duplexwoningen zijn samengevoegd of op enkele plaatsen in studentenappartementen veranderd. Er is geen enkele reden dit bij het complex Ravesteijnplein niet te doen. De woningen zijn in hoge mate vergelijkbaar en ook daar kunnen aan de buitenrand grote aantrekkelijke woningen gemaakt worden. Bij voorkeur met een flexibel in te delen begane grond voor zowel wonen als bijvoorbeeld kantoortje of praktijkruimte. De woningen aan het Ravesteijnplein zelf zijn op zich al aantrekkelijk genoeg als kleine ééngezinseenheden aan een besloten binnengebied. En de eerder genoemde problemen van isolatie, geluidwering, vocht etc. zijn met moderne renovatietechnieken op te lossen.

Alle stedenbouwkundige punten samengevat (massa, collectiviteit, kappen, besloten binnenruimte, aansluiting bij het vooroorlogse) en de renovatietechnieken van nu maakt dat de keuze voor behoud en renovatie steeds dichter bij komt en meer voor de hand liggend is dan nieuwbouw dat er ongeveer zo uitziet. Het zal duidelijk zijn dat ik vanuit mijn vak monumentenzorg voor behoud kies. Ook het aspect van duurzaamheid (herstel en hergebruik i.p.v. nieuw) is een steeds belangrijker punt. Maar vooral stedenbouwkundig mag dit stukje Vlissingen niet verloren gaan. En tenslotte, maar van ondergeschikt belang, dit complex van onze oude socialistische woningcorporatie Goed Wonen verdient behoud.

Ronald den Broeder